Specifieke fobieën

De meeste specifieke fobieën ontstaan tijdens de kindertijd. Bij een specifieke fobie ontstaat er paniek en angst wanneer zij met een bepaalde situatie of voorwerp worden geconfronteerd. Deze situatie of het object is een fobische prikkel waardoor een reactie in werking wordt gezet. Zelfs de gedachte aan de aanraking met deze prikkel kan zorgen voor een angstig gevoel. Er wordt pas gesproken over een specifieke fobie wanneer de angst  ernstig, aanhoudend en onaangepast is. Er is sprake van een fobie wanneer de angst:

  1. aanhoudend en overdreven of onredelijk is, uitgelokt door de aanwezigheid van of het reageren op een bepaald voorwerp of situatie (bijv. vliegen, hoogten, dieren, bloed zien).
  2. een onmiddellijke angstreactie veroorzaakt, die zich kan uiten in een paniekaanval, bijv. in de vorm van huilen, woede-uitbarstingen, verstijven of vastklampen.
  3. buiten proportie is ten opzichte van het werkelijke gevaar.
  4. zorgt dat deze situatie(s) worden vermeden of anders doorstaan met grote angst of lijden.
  5. het normale functioneren belemmert.
  6. niet behoort tot een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld bij vrees voor vuil bij iemand met een smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijvoorbeeld vermijden van prikkels die samengaan met een ernstige stressfactor), separatieangststoornis (bijvoorbeeld vermijden van school), sociale fobie (bijvoorbeeld vermijden van gezelschap in verband met de angst in verlegenheid gebracht te worden), paniekstoornis met agorafobie, of agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis.

Kenmerken

Specifieke fobieën zijn in vier categorieën onder te verdelen;

Angst voor:

Bijvoorbeeld:

een bepaald dier

spinnen, honden of slangen

de natuur

storm, onweer, grote hoogtes of water

een bepaalde situatie

niet in een lift, tunnel of op een brug durven ten komen of bang zijn om te vliegen of autorijden.

bloed/injecties/verwondingen

al het medische zoals pijn, ongelukken, bloed

 

 

Veel voorkomende verschijningen bij specifieke fobieën:

  • een verhoogde/verlaagde hartslag
  • te hoge/ te lage bloeddruk
  • versnelde ademhaling/hyperventilatie
  • overmatig zweten
  • pijn op de borst
  • huilen
  • woede-uitbarstingen
  • terugtrekken
  • trillen of beven
  • dwanghandelingen
  • duizeligheid
  • benoemt de zelfbeheersing te verliezen of gek te worden
  • angst om dood te gaan
  • vermijdingsgedrag
  • selectieve opname van informatie
  • paniek (belemmert functioneren)
  • flauwvallen



Ondersteuningsbehoeften

 

Mogelijke behandelingen:

Uitleg:

1. Gedragstherapie

De kinderen worden hierbij blootgesteld (exposuretherapie) aan hun angst om zo over de angst heen te komen.

     a. Systematische desensibilisatie therapie

De therapeut stelt het kind geleidelijk bloot aan een hiërarchie van angsten terwijl het kind technieken oefent om de angst te verminderen.

     b. Voordoen

De therapeut doet gedrag voor die door het kind als meest eng worden ervaren voordat het kind zelf deze meest beangstigende situatie aangaat.

     c. Overspoelen

De therapeut stelt het kind intensief bloot aan het gevreesde object tot de angst verdwijnt.

2. Cognitieve gedragstherapie

De therapeut daagt het kind uit om zijn negatieve catastrofale gedachten te verwoorden en aan het licht te brengen waarom er paniek ontstaat om het zo onder controle te krijgen.

3. Biologische behandeling

De therapeut geeft het kind angstonderdrukkende medicatie waardoor de angst niet meer kan optreden.

 

Stappenplan voor de leerling om de vicieuze cirkel van angst te doorbreken:

Stap 1:

accepteer dat je bang mag zijn.

Stap 2:

leer omgaan met vermijding door er bewust voor te gaan kiezen moeilijke situaties niet uit de weg te gaan maar jezelf te leren dat het goed komt en angst en buikpijn minder worden als je jezelf confronteert.

Stap 3:

maak jezelf rustig met behulp van ademhalingsoefeningen en ontspanningsoefeningen. Het kind kan het beste buikademhalingsoefeningen twee a driemaal per dag gaan oefenen en een keer per dag een ontspannings-oefening doen.

Stap 4:

doorbreek je gedachtepatroon.

Stap 5:

verander je gedrag.

 

Tips voor de leerkracht

Houd altijd in gedachten dat elke leerling anders is. Het voorkomen en de mate van de kenmerken van de specifieke fobieën en de beste aanpak zullen dan ook per leerling verschillend zijn. De adviezen hieronder kunnen een richtlijn bieden om met een kind met een specifieke fobie om te gaan. Het is tevens aan te raden om het desbetreffende kind een 'one page profile' in te laten vullen. Hierop kan hij/zij zelf aangegeven wat voor hem/haar nodig is aan hulp.

 

Adviezen:




one page profile boeken oefeningen